Jeremia 21:7

SVEn daarna, spreekt de HEERE, zal Ik Zedekia, den koning van Juda, en zijn knechten, en het volk, en die in deze stad overgebleven zijn van de pestilentie, van het zwaard en van den honger, geven in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, en in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hij zal ze slaan met de scherpte des zwaards; hij zal ze niet sparen, noch verschonen, noch zich ontfermen.
WLCוְאַחֲרֵי־כֵ֣ן נְאֻם־יְהוָ֡ה אֶתֵּ֣ן אֶת־צִדְקִיָּ֣הוּ מֶֽלֶךְ־יְהוּדָ֣ה וְאֶת־עֲבָדָ֣יו ׀ וְאֶת־הָעָ֡ם וְאֶת־הַנִּשְׁאָרִים֩ בָּעִ֨יר הַזֹּ֜את מִן־הַדֶּ֣בֶר ׀ מִן־הַחֶ֣רֶב וּמִן־הָרָעָ֗ב בְּיַד֙ נְבוּכַדְרֶאצַּ֣ר מֶֽלֶךְ־בָּבֶ֔ל וּבְיַד֙ אֹֽיְבֵיהֶ֔ם וּבְיַ֖ד מְבַקְשֵׁ֣י נַפְשָׁ֑ם וְהִכָּ֣ם לְפִי־חֶ֔רֶב לֹֽא־יָח֣וּס עֲלֵיהֶ֔ם וְלֹ֥א יַחְמֹ֖ל וְלֹ֥א יְרַחֵֽם׃
Trans.wə’aḥărê-ḵēn nə’um-JHWH ’etēn ’eṯ-ṣiḏəqîyâû meleḵə-yəhûḏâ wə’eṯ-‘ăḇāḏāyw| wə’eṯ-hā‘ām wə’eṯ-hannišə’ārîm bā‘îr hazzō’ṯ min-hadeḇer min-haḥereḇ ûmin-hārā‘āḇ bəyaḏ nəḇûḵaḏəre’ṣṣar meleḵə-bāḇel ûḇəyaḏ ’ōyəḇêhem ûḇəyaḏ məḇaqəšê nafəšām wəhikām ləfî-ḥereḇ lō’-yāḥûs ‘ălêhem wəlō’ yaḥəmōl wəlō’ yəraḥēm:

Algemeen

Zie ook: Hand (lichaamsdeel), Juda (koninkrijk), koningen van Juda, Nebukadnezar, Pestilentie, Zedekia, Zidkia, Ziel, Zwaard

Aantekeningen

En daarna, spreekt de HEERE, zal Ik Zedekia, den koning van Juda, en zijn knechten, en het volk, en die in deze stad overgebleven zijn van de pestilentie, van het zwaard en van den honger, geven in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, en in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hij zal ze slaan met de scherpte des zwaards; hij zal ze niet sparen, noch verschonen, noch zich ontfermen.


Vertaalnotities

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.
    Zie hier over het gebruik van de interlineair.

וְ

-

אַחֲרֵי־

En daarna

כֵ֣ן

-

נְאֻם־

spreekt

יְהוָ֡ה

de HEERE

אֶתֵּ֣ן

geven

אֶת־

-

צִדְקִיָּ֣הוּ

zal Ik Zedekía

מֶֽלֶךְ־

den koning

יְהוּדָ֣ה

van Juda

וְ

-

אֶת־

-

עֲבָדָ֣יו׀

en zijn knechten

וְ

-

אֶת־

-

הָ

-

עָ֡ם

en het volk

וְ

-

אֶת־

-

הַ

-

נִּשְׁאָרִים֩

overgebleven zijn

בָּ

-

עִ֨יר

en die in deze stad

הַ

-

זֹּ֜את

-

מִן־

-

הַ

-

דֶּ֣בֶר׀

van de pestilentie

מִן־

-

הַ

-

חֶ֣רֶב

van het zwaard

וּ

-

מִן־

-

הָ

-

רָעָ֗ב

en van den honger

בְּ

-

יַד֙

in de hand

נְבוּכַדְרֶאצַּ֣ר

van Nebukadnézar

מֶֽלֶךְ־

den koning

בָּבֶ֔ל

van Babel

וּ

-

בְ

-

יַד֙

en in de hand

אֹֽיְבֵיהֶ֔ם

hunner vijanden

וּ

-

בְ

-

יַ֖ד

en in de hand

מְבַקְשֵׁ֣י

zoeken

נַפְשָׁ֑ם

dergenen, die hun ziel

וְ

-

הִכָּ֣ם

en hij zal ze slaan

לְ

-

פִי־

met de scherpte

חֶ֔רֶב

des zwaards

לֹֽא־

-

יָח֣וּס

hij zal ze niet sparen

עֲלֵיהֶ֔ם

-

וְ

-

לֹ֥א

-

יַחְמֹ֖ל

noch verschonen

וְ

-

לֹ֥א

-

יְרַחֵֽם

noch zich ontfermen


En daarna, spreekt de HEERE, zal Ik Zedekia, den koning van Juda, en zijn knechten, en het volk, en die in deze stad overgebleven zijn van de pestilentie, van het zwaard en van den honger, geven in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, en in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hij zal ze slaan met de scherpte des zwaards; hij zal ze niet sparen, noch verschonen, noch zich ontfermen.


Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!